Bron: De Volkskrant
In het derde deel van zijn herinneringen, Het verdriet van de hanen, heeft György Konrád alle chronologie of thematische ontwikkeling losgelaten. In Geluk, het eerste deel, ging het om twee doorslaggevende episoden uit zijn jeugd, die van de oorlogsjaren en die van de na-oorlogse periode.
Konrád ontvouwde in dat boek een dubbele geschiedenis van ontreddering en onthechting. De eerste betrof die van zijn vlucht, samen met zijn zusje, in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog vanuit oostelijk Hongarije naar Boedapest. Twee jonge kinderen, ternauwernood ontkomen aan het noodlot van de deportatie, zoeken hun weg in de chaos van een ontregeld land. Als de bezetting en de dreiging van de dood voorbij zijn, volgen zij het spoor terug, van de grote stad naar wat er overgebleven is van hun familie en vertrouwde omgeving.
In het tweede deel, Zonsverduistering, volgde het verslag van zijn studententijd en zijn ontwikkeling tot en als schrijver. De cruciale belevenis daarin was de Hongaarse Opstand van 1956; Konrád besloot toen niet de wijk te nemen en in enigerlei buitenland opnieuw te beginnen. Hij bleef en hij bleef proberen tussen de obstakels die wet en regime voor hem opwierpen, zijn eigen en eigenzinnige weg als schrijver te zoeken.
Waartoe dat geleid heeft, is bekend: hij werd de stem van het andere Hongarije, het geweten en de profeet van de natie. In binnen- en buitenland werden niet alleen zijn boeken gulzig gelezen, maar werd zijn stem in allerlei voor de hand liggende en buitenissige aangelegenheden die van een gretig beluisterde profeet.
In die herinneringen liet Konrád niet alleen zien hoe dat zo had kunnen gebeuren, maar ook hoe ongemakkelijk hij zich daarbij voelde. Hij wilde schrijven om te schrijven, niet om te bezweren of het orakel uit te hangen. Dikwijls had hij echter weinig te vertellen over de rol die hem was toegevallen.
In dit derde deel is het alsof hij zijn opstandigheid tegen het lot dat hem toeviel – en dat hij royaal heeft benut en waarvan hij beslist ook genoten heeft – de volle ruimte geeft. Om stilistische redenen verdubbelt hij zichzelf vanaf de eerste pagina, in het personage dat hij geworden is voor de buitenwereld en de man die hij bleef, de man die hij, ondanks alle strijkages en eerbetoon, altijd getracht heeft te blijven. Schrijver, jawel, maar ook vader, minnaar, klaploper, cafétijger, onvermoeibaar flaneur langs de straten van de stedelijke vrijheid. Het gaat in dit boek om hem als flaneur en om ‘Kalligaro’.
Die laatste is een man met een das, een voorkomen, minstens twee plechtige woorden en een rol, een man die als de vertegenwoordiger van de Hongaarse ‘antipolitiek’, het humane denken en streven van een beschaafde intelligentsia, op ons toetreedt, alle communistische platheid en vernietigingsdrang trotserend. Decennialang met een ongekende innerlijke veerkracht, decennialang met een bijna ironisch uithoudingsvermogen.
Achter het mombakkes van die man, idool van zoveel sympathieke en sympathiserende anticommunistische intellectuelen van elders, gaat de deugniet schuil, de scharrelaar, de man die indommelt bij een gewichtige conferentie, de man die zichzelf hoort praten zodra hij die conferentie moet toespreken en tittel noch jota snapt van wat hij zelf zegt.
Die man is de slordigheid zelve, in zijn denken, schrijven en levenswandel. Het verdriet van de hanen is bij uitstek het relaas van die man, het springt van de hak op de tak, van onversneden diepzinnigheid naar bijna beschamende alledaagsheid, van herinnering naar inzicht, van huiselijkheid naar grootsheid. Het liefst staat hij doelloos tegen de balustrade van een speelplaats geleund, het meest op zijn gemak voelt hij zich wanneer hij met zijn opmerkingen zowat iedereen tegen zich in het harnas jaagt.
Hij gebruikt het boek om zijn wispelturigheid de vrije loop te laten en af te rekenen met het monument dat hij dreigt te worden. Dat monument staat er zeker nog, aan het eind van het boek, maar de man voor wie het werd opgericht – die het voor zichzelf oprichtte – is tegen die tijd weggelopen om ergens een kop koffie te gaan drinken of om met zijn nog jonge kind te gaan spelen.
Dat maakt je weerloos van sympathie, zo weerloos dat je haast een tweede standbeeld voor hem zou willen oprichten.